5 Frans Toetswijzer 6.3

Gatenvuloefening

Vul de gaten in. Druk dan op "controleren" om uw antwoorden te controleren. Gebruik de "Hints"-knop om een extra letter te krijgen, wanneer u het lastig vindt om een antwoord te geven. Let wel: u verliest punten, wanneer u hints of aanwijzingen vraagt!

Natuurlijk moet je être en avoir blijven kennen.
Schrijf hieronder de vormen van être.
(Zie blauwe kader G1 blz. 27) (=Unité 3).
ik ben ------ je ---------------- wij zijn ----- nous
jij bent ------ tu ---------------- jullie zijn --- vous
hij is ---------- il ---------------- ze zijn -------- ils
zij is ------- elle --------------- ze zijn ----- elles
Schrijf hieronder de vormen van avoir.
(Zie blauwe kader G1 blz. 53)
ik heb ------- j' ------------------ wij hebben ----- nous
jij hebt ----- tu ----------------- jullie hebben --- vous
hij heeft ----- il ---------------- ze hebben --------- ils
zij heeft --- elle --------------- ze hebben ------ elles

Oef. 16 blz. 74 (Zie blauwe kader G2 blz. 74.
Is het à of chez? Vul in.
1. Où est Alida? ---------- Elle est Paris. Elle est un boulanger.
2. Où sont Nic et Jo? --- Ils sont Nice. Ils sont un professeur.
3. Où est Robert? ------- Il est Marseille. Il est un ami.
4. Tu habites où? ------- J'habite le frère de Jo. J'habite Charleroi.
5. Vous habitez où? ---- Nous habitons Liège. Nous habitons un ami.
6. Paul habite où? ------ Il habite un facteur. Il habite Namur.

Oef. 17 blz. 75
Is het à , chez of dans? Vul in.

1. Manneken Pis habite Bruxelles. ---- 2. Anita arrive Nicole.
3. Oscar est la cuisine. -------------- 4. Le pantalon est l'armoire.
5. Vous êtes le boulanger. ---------- 6. Nous sommes Bordeaux.
7. L'eau est le verre. ------------------ 8. Je suis une amie.
9. Jules arrive Mons.

De Robbert ----- Vijfde leerjaar ----- I. Umans